Hoofdstuk 6
Het boek
geschreven door Tijn
Op een mooie ochtend ging Leon naar de bieb. Hij zocht een spannend boek. Toen viel zijn oog op een boek dat in een afgelegen kast lag. Hij liep ernaartoe en pakte het. Er stond op de voorkant: 'het wolfenboek'. Hij liep naar een tafel. Een oude man zei: 'Lees dat boek niet, jongen, daar komen nare dingen van.' Hij dacht: grapje zeker. Hij ging zitten en sloeg het boek open. Hij zag zichzelf in de bieb. Hij sloeg de bladzijde om. Daar zag hij een wolf achter hem. Hij keek achter zich. Daar stond een normaal mens. Gek, dacht hij. Maar toen hij op de volgende pagina keek, zag hij zichzelf uit de bieb lopen. Gek genoeg deed hij precies hetzelfde. Hij zag op de volgende pagina dat het opeens middernacht was. En iets anders: een weerwolf rende op hem af! Hij rende weg, een straat in. Het was de Tulpenstraat, daar woonde hij. Hij sloeg nog een bladzijde om. Hij ziet zijn ouders thuis als weerwolven. Toen dacht hij: ik ben er geweest. Hij ging toch maar naar binnen en sloop de trap op. Hij ging zijn kamer in. Toen dacht hij: dat boek laat mensen hun ware aard zien. Toen dacht hij: mijn zusje logeert hier! Hij keek in het boek. Zijn zusje was een normaal mens. Toen sprong zijn vader binnen en beet zijn zusje. In het boek werd ze een weerwolf. In het echt helaas ook. Ze verscheurde hem met haar vader en at hem op.
Geef sterren
5,0 van 5 · 3 stemmen